Til Ungdommen / Voor de Jeugd  Tekst: Nordahl Grieg Arr. Henning Sommero
Kringsatt av fiender, gå inn i din tid!
Under en blodig storm – vi dig til strid!
Kanskje du spør i angst, udekket, åpen:
hvad skal jeg kjempe med, hvad er mitt våpen? Her er ditt vern mot vold, her er ditt sverd: troen på livet vårt, menneskets verd. For all vår fremtids skyld, søk det og dyrk det, dø om du må – men: øk det og styrk det! Stilt går granatenes glidende bånd. Stans deres drift mot død, stans dem med ånd! Krig er forakt for liv. Fred er å skape. Kast dine krefter inn: døden skal tape! Edelt er mennesket, jorden er rik! Finnes her nød og sult, skyldes det svik. Knus det! I livets navn skal urett falle. Solskinn og brød og ånd eies av alle. Da synker våpnene maktesløs ned! Skaper vi meneskeverd, skaper vi fred. Den som med høire arm bærer en byrde, dyr og umistelig, kan ikke myrde. Dette er løftet vårt fra bror til bror: vi vil bli gode mot menskenes jord. Vi vil ta vare på skjønnheten, varmen – som om vi bar et barn varsomt på armen!
Vijanden om je heen; dit is je tijd
In bloedig stormgeweld trek je ten strijd
Angstig vraag je jezelf, kwetsbaar geschapen Wat zal mijn strijdplan zijn, wat is mijn wapen. Hiermee ben jij beschermd, hier is je zwaard Dat wij geloven in mens’lijke waard’ Voor onze toekomstdroom, zoek en bewerk het
Sterf als het moet – maar voed en versterk het. Stil fluisteren wapens hun giftige taal
Stop nu hun zucht naar dood, stop ze massaal Oorlog veracht het leven, vrede is maken. Geef al je krachten om het sterven te staken Edel de mensheid en de aarde gevuld! Nood en ellende worden niet meer geduld! Breek het! In levensnaam, onrecht moet vallen Warmte en brood en ziel behoren aan allen. Dan vallen machteloos de wapens teneer
Scheppen wij vrede, elke dag weer
Wie met zijn rechterarm schatten moet tillen
Dierbaar, onmisbaar, kan geen bloed meer verspillen.
Dit nu beloven wij, elkaar welgezind,
Zorgen voor al wat zich op aarde bevindt
Wij zullen passen op het schone en warme
Dat koest’ren wij als een kind in de armen.
Vertaling: Willem Hoekstra/Dick Bruinsma
Terry Callier: Rosie
Be my woman gal ill – be your man
Everydays sunday dollar – in your hand
Stick to the promise gal – you made me
Wasn’t gonna marry me till – I go freeI go free lordy – I go free
Woah rosie – Oh Lord, gal
When she walks she reels and – rocks behind
Ain’t that enough to worry – convicts mind
Word mijn vrouw, mijn liefje, en ik – word jouw man.
Elke dollar loon – geef ik aan jou!
Blijf bij je belofte liefje – die je deed.
Want je zou me trouwen als ik – vrij zou zijn.
Ik kom vrij, God – ik kom vrij!
Oh Rosie – Oh God meid
Als ze loopt en zwiert en –  alles deintEen kwellende gedachte – bij de dwangarbeid
Mark van Platen: Lecture de Cioran
Soudain, en deçà de tout,
je glisse vers le point d’inexistence
de chaque objet.
Le moi: une étiquette.
Parallèle à mon visage, je me mire dans mes regards.
Chaque chose est autre, tout est autre.
Quelque part, un oeil. Qui m’observe?
J’ai peur, et puis je suis extérieur à ma peur. Hors des instants et hors du sujet que je fus, comment m’affilier au temps?
La durée se momifie, le devenir est devenu. Plus aucune parcelle d’air où expirer, où crier.
Le souffle est nié, l’idée se tait, l’esprit fut.
J’ai traîné tous les oui dans la boue,
et ne colle pas plus au monde que l’anneau au doigt du squelette.E.M. Cioran, ‘Déchets de tristesse I’
La Tentation d’exister
(Editions Gallimard, 1956)
Plotseling schiet ik tekort in alles
en val naar een punt van niet-bestaan van de dingen die me omringen.
Het ik: een etiket. Ik spiegel me, parallel aan mijn gezicht, in mijn blikken.
Elk ding is anders, alles is anders.
Ergens een oog. Wie houdt me in de gaten? Ik ben bang, vervolgens sta ik buiten mijn angst. Hoe moet ik de draad van de tijd weer oppakken, nu ik me buiten de ogenblikken bevind en buiten het subject dat ik was? Het tijdsverloop is gemummificeerd, wording is geworden.
Geen luchtbel meer waarin ik kan ademen of schreeuwen. Adem wordt ontzegd, idee valt stil, geest was. Elk ‘ja’ heb ik door het slijk gehaald en ik ontval de wereld als een ring de vinger van een skelet.Vertaling: Maarten van Buuren
Monteverdi: Lamento d’Arianna
Prima parte
Lasciatemi morire,
Lasciatemi morire!
E chi volete vol che mi conforte
In cosi dura sore, in cosi gran martire?
Lasciatemi morire, lasciatemi morire!
Eerste deel
Laat me sterven,
laat me sterven!
Wie zou mij kunnen troosten
in mijn bitter lot, in mijn ondraaglijk lijden?
Laat me sterven, laat me sterven!
Seconda parte
O Teseo, o teseo mio, si
Che mio ti vo’ dir,
che mio pur sel,
Benchè t’involi, ahi crudo, agli occhi miel.Volgiti, Teseo mio, volgiti, Teseo,
o Dio!
volgiti in dietro a rimirar colei
Che lasciato ha per te la patria e il regno,
E in queste arene ancora,
Cibo di fere dispietate e crude,
Lascierà l’ossa ignude.O Teseo, o teseo mio
Se tu sapessi, o Dio, se tu sapessi, ohimè!
Come s’affanna la povera Arianna,
Forse, forse pentito
Rivolgeresti ancor la prora al lito.Ma, con l’aure serene
Tut e ne val felice ed io qui piango;
A te prepara Atene liete pompe superbe,
ed io rimango cibo di fere in solitarie arene; Tu l’un e l’altro tuo vecchio parente Stringerai lieto, ed io Più non vedrovi, o madre, o padre mio.
Tweede deel
O Theseus, mijn Theseus, ja Ik wil je nog de mijne noemen, want je behoort me toe, hoezeer jij, ach wreedaard, ook mijn ogen ontvlucht. Keer terug, mijn Theseus, keer terug, Teseo, o God! Keer terug en aanschouw haar Zij die voor jou haar land en koninkrijk verliet en op dit strand,
ten prooi aan meedogenloos wrede dieren, slechts haar naakte gebeente zal achterlaten. O Theseus, mijn Theseus,
Als je wist, o God, ach, als je wist, wee mij!
Hoe vreselijk die arme Ariadne lijdt,
misschien zou je dan berouw tonen
en weer op deze kust afstevenen.Maar in de kalme zeewind vaar jij gelukkig heen, en ben ik het die ween.
Jou bereidt Athene een feestelijk onthaal,
en ik blijf achter, ten prooi aan wilde dieren op deze verlaten stranden.
Blij zul jij je grijze ouders een voor een omhelzen, en ik zal noch mijn moeder, noch mijn vader ooit weerzien.
Terza parte
Dove, dove è la fede,
Che tanto mi giuravi?
Così ne l’alta sede
Tu mi ripon degl’avi?
Son queste le corone,
Onde m’adorni il crine?Questi gli scettri sono,
Queste le gemme e gli ori:
Lasciarmi in abbandono
A fera che mi stracci e mi divori?Ah Teseo, ah Teseo mio,
Lascierai tu morire,
In van piagendo, in van gridando aita,
La misera Arianna
Che a te fidossi e ti die’gloria e vita?
Derde deel
Waar, waar is de trouw,
Die jij me zo plechtig hebt gezworen?
Is dit de voorouderlijke troon
die je mij beloofd hebt?
Zijn dit de kronen
waarmee je mijn hoofd tooit?Zijn dit de scepters, de juwelen en gouden ornamenten: Mij achterlaten, overgeleverd aan wilde dieren die me verscheuren en verslinden?
Quarta e ultima parte
Ahi, che non pur risponde,
Ahi, che più d’aspe è sordo a’miei lamenti,
O nembi, o turbi, o venti,
Sommergetelo voi dentr’a quell’onde.
Correte, orchi e balene,
e de le membr’immonde
empiete le voragini profonde.Che parlo, ahi, che vaneggio?
Misera, ohimè, che chieggio?
O Teseo, o Teseo mio,
Non son, non son quell’io,
Non son quell’io che i feri detti sciolse: Parlò
l’affanno mio, parlò il dolore;
Parlò la lingua sì, ma non già il core.
Vierde en laatste deel
Ach, hij antwoordt niet eens.
Ach, stokdoof is hij voor mijn weeklachten.
O donderwolken, hozen en winden,
Laat hem verzwolgen worden door deze golven.
Snelt toe, zeemonsters en walvissen,
en vul met zijn vuige lijf
de gapende diepten.Wat zeg ik, ach, wat ijl ik?
Och ik ellendige, wat verlang ik?
O Theseus, o mijn Theseus,
Niet ik, ik ben het niet,
Ik was het niet die deze dwaze woorden sprak:
Mijn ontreddering sprak, mijn verdriet:
Mijn tong sprak wel, maar niet mijn hart.
Gesualdo (1566-1613) & Stravinsky (1882-1971): Da pacem, Domine
Da pacem, Domine,
in diebus nostris:
quia non est alius
qui pugnet pro nobis,
nisi tu, Deus noster.
Geef vrede, Heer,
in onze dagen:
want er is geen ander
die voor ons strijdt
dan Gij, Onze God.
Robert Heppener: Bruchstücke eines alten Texten
(Psalm 43)
Daß ich hineingehe zum Altar Gottes,
zu dem Gott, der meine Freude und Wonne ist, und dir, Gott;
auf der Harfe danke, mein Gott!
Was betrübest du dich, meine Seele,
und bist so unruhig in mir?
Harre auf Gott; denn ich werde ihm noch danken, daß er meines Angesichts Hilfe und mein Gott ist.
Dan zal ik naderen tot het altaar van God,
tot God, mijn hoogste vreugde.
Dan zal ik u loven bij de lier, God mijn God.
Wat ben je bedroefd, mijn ziel,
en onrustig in mij.
Vestig je hoop op God,
eens zal ik hem weer loven,
mijn God die mij ziet en redt.